Frank in stukjes

verhalen uit het theater

  


Er zit muziek in drama

West Side Story (Robert Wise, VS 1961) met de muziek van Leonard Bernstein is een musical die losjes gebaseerd is op Romeo en Julia van William Shakespeare. Beiden vertellen, in één zin samengevat, dat liefde de dood overwint. Het is een klassiek gevalletje van melodrama, dit verhaal over de schier onmogelijke liefde tussen Tony en Maria omdat ze allebei tot een andere bende behoren.

 

Het melodrama stamt uit het theater in de Griekse oudheid: mélos( μέλος), dat zang of muziek betekent plus dráma (δράμα). Er zit dus muziek in melodrama.

 

Er loopt een rechtstreekse lijn van de klassieke tragedie via opera, musical en melodrama (in film en theater) naar soap. Een soapserie - ontstaan in de jaren dertig in Amerika om zeep te verkopen in de reclames tussendoor - is een klassieke tragedie in verdunde vorm die tegemoet komt aan onze behoefte aan camp. Lekker lachen om te groot acterende soapies, stuk gaan om de trage inzoom van de camera op het verwarde gezicht van een bordkartonnen personage, en je rot lachen om een blik met violen dat de kus wel erg vet aanzet. Of zitten we stiekem toch een beetje mee te zwijmelen?

 

Hoe waarderen we tegenwoordig het sentiment van het melodrama?

Ik herinner me een ontluisterende ervaring in de jaren tachtig in het Nijmeegse filmhuis toen ik naar West Side Story keek. Op het moment waarop Nathalie Woods in gezang uitbarstte, barstte het publiek in bulderend gelach uit. Figuurlijk zakte ik door mijn stoel. Omdat ik moest huilen.

 

Wordt melodrama tegenwoordig als edelkitsch gezien? Kan de hedendaagse toeschouwer zich niet meer inleven in de echte ontroering van mensen die in de jaren dertig of veertig van de vorige eeuw naar melodrama keken? In elk geval heeft melodrama een negatieve bijklank gekregen. Iets ‘melodramatisch’ vinden heeft de connotatie van ‘aanstellerig doen’.

 

Tegelijkertijd is het genre musical in de theaters populairder dan ooit: van Cats tot Soldaat van Oranje.

Ik kan me daarmee verbinden. Ik hou van ‘het musicalmoment’, het moment waarop iemand van het een op het andere moment uitbarst in een lied. Een explosie van emoties, die niet te vangen lijkt in een gewone dialoog. Het verhaal valt stil voor een moment van lyriek. Muziek wordt gebruikt om emoties te versterken en is in de handen van een maker een gereedschap voor manipulatie. Onderhuids bewerkt muziek de toeschouwer.

In het ‘gewone’ theater wordt ook muziek gebruikt. Immers, ook daar wordt gemanipuleerd.

Je kan avondenlang met vrienden debatteren waarom Pink Floyd, of juist The Beatles de beste muziek maken. Je kan eindeloos van mening verschillen over wat goede muziek is. Maar in het theater bestaat geen goede of slechte muziek. Er bestaat alleen maar muziek die werkt en muziek die niet werkt, dixit Bram Verschueren.

 

Met name soundtracks van films doen het heel goed. Die muziek is gecomponeerd om evocatief te zijn. De soundtracks van de Batman-films of de Pirates of the Caribean-reeks (gecomponeerd door Hans Zimmer) roepen beelden op. Als theatermaker ben ik altijd op zoek naar ‘muziek die werkt’. Dat verklaart Heino, naast La Pat, naast de cd’s van Jacques Herb en Once Upon a time in the West in mijn kast. Ooit zocht ik de juiste muziek voor een scène waar ik mee bezig was. Ik dacht daarbij aan de filmmuziek van Yann Tiersen (oa Amelie).

Ik liet het horen aan mijn zoon, toen een jaar of 8 denk ik (en op pianoles), en vroeg hem wat hij voor zich zag.

Hij schilderde een straat met een heel zielig meisje dat een jurk met gaten droeg. Ze zat gehurkt op de stoep met een mandje met spulletjes die ze verkocht om nog wat geld te verdienen. Opeens kwam er een boze man de straat ingelopen (crecendo!)…

En zo gaf hij mij de bevestiging dat dit stuk muziek bruikbaar was om de toeschouwer straks onderhuids te raken: ze een traan te ontlokken en te laten schrikken. Er zat drama in deze muziek. Precies wat ik wilde.